Waarheen zult Gij met mij gaan,
wat is ’t pad dat U zult wijzen.
Onze voeten op de baan,
leidend naar Uw paradijzen.
Zal de weg zijn breed of smal,
die ik met U uit zal lopen.
Tot ik eenmaal komen zal,
met U in het land der hope.


‘k Heb Uw zachte stem gehoord,
die mij liefd’vol deed vertellen.
Hoe wij komen bij de poort,
waar wij samen heen doen snellen.
Smal en moeizaam is het pad,
dat ik met U moet bestijgen.
Voor ik in de eeuw’ge stad,
eindelijk de rust zal krijgen.


Maar Gij neemt mij bij de hand,
zult mij op de weg geleiden.
Naar ’t door U beloofde land,
huis en woning van verblijden.
Jubelend zal ik in het licht,
wat mij eeuwig zal omstralen.
Zingend U mijn lofgedicht,
U daarmee mijn dank betalen.
Justus A. van Tricht