Dichter: Jacobsen, Thomas Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
zij was de koningin van het Zuiden,
en zij reisde zelf naar Jerusalem;
in haar land had ze horen verluiden
over de grote wijsheid, die bij hem,
Salomo, koning van Israël, was;
over de Naam van de Heer der Heeren;
zij nam geschenken mee, ’t was eersteklas,
wat zij wilde, was, de Heer vereren;

met specerijen, goud en edelsteen
ging zij op weg, zij was goed voorbereid,
ze kwam met groot gevolg, zij ging er heen,
naar Salomo, en naar God’s majesteit;
zo is zij in Salem aangekomen,
zij kwam, met al de vragen van haar hart,
en zij heeft daar antwoord op bekomen,
haar vragen zijn door Salomo ontward

zij zag de koning, in zijn doen en gaan,
de brandoffers, die hij naar ‘t altaar bracht,
om daar, in ootmoed, voor de Heer te staan,
en Die hem leidde, met Zijn grote macht;
zij zag aldaar de wijsheid en de eer
door de Heer aan Salomo gegeven,
zij zag daarin God’s hand, en prees de Heer,
zij zocht vrede voor haar eigen leven

en zij vroeg de Heer, haar die te geven,
en Hij, de Heere, laat geen bidder staan;
Hij, de Heer, geeft aan ons eeuwig leven,
zo mogen wij door deze wereld gaan;
Salomo gaf haar, wat zij maar wilde,
zo zegt de Schrift dat verder, over haar,
over Salomo, die haar hart stilde,
voor zij terug ging naar haar land, dat jaar

zie, meer dan de koningin uit ’t Zuiden
is hier, zo sprak Hij in Jerusalem,
Heere, laat Uw Woord voor ons beduiden
dat wij U volgen, luist’rend naar Uw stem,
U, Die op aard’ voor ons verzoening bracht,
U ging voor ons naar Golgotha, o Heer,
U bent het, Heer, van Wie ik het verwacht ,
in tijd en eeuwigheid zing ik Uw eer

bij 1 Koningen 10, verzen 1 – 13
Mattheϋs 12, vers 42