Dichter: Kuijper, Jan Pieter Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
Een lentedag met zonlicht overgoten,
vol vreugd,
verheugt,
een dag waar door ieder werd genoten.
Geen zorg, geen traan, geen onvertogen woord.
Gelach,
op Koninginnedag,
geen wanklank die dit feest verstoort.

Dan wordt er plots een donkere wolk voor deze zon geschoven.
Zo zwart,
vol smart -
in staat om alle vreugd voorgoed te doen verdoven.
Geschreeuw, gehuil en nameloze pijn,
onpeilbaar,
ondenkbaar.
Een doffe klap is ’t eind van alle zonneschijn.

Waarom.., is ’t enige wat onze mond ontsnapt,
onwerkelijkheid,
verslagenheid,
tot in het diepst op onze ziel getrapt.
Hoe kan het dat ons dit moet overkomen -
onschuldig bloed
in overvloed,
hoe is hij ooit tot deze daad gekomen?

Verstikt in wanhoop tot de daad gedreven.
Vol eenzaamheid
en afwezigheid
van dát wat mensen zouden moeten geven.
Verstoten van de adem van het leven:
Genegenheid,
geborgenheid -
Slechts radeloosheid is er nog gebleven.

Ligt daar het antwoord niet voor al mijn vragen!?
De eenzaamheid,
de naamloosheid
van mensen die door God aan mij zijn opgedragen.
Hoe blind ben ik dat ik mij vrij kan pleiten
van al dit kwaad,
van deze daad.
Zou ik mijzélf dan niet veel meer verwijten?

Een daad als deze is nooit goed te keuren.
Een straf verdiend,
zijn dood onverdiend,
zo vele levens zijn toch te betreuren!?
Mijn hart vult met gerechtigde rechtvaardigheid:
Geen straf te zwaar,
de moordenaar!
Maar was ook Jezus’ kruiswoord vol verwijt?