Dichter: Kuijt, Dikkie Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
Ontvangen en in ballingschap gevoerd
net van de moederschoot ontdaan,
vervreemd, een dwangbuis omgesnoerd
werd ik gedwongen langs die weg te gaan.

En gaande-weg werd mij tot last
wat mij als vaststaand is geleerd,
die weg was zeker en heel vast
maar twijfel werd met angst en hel geweerd.

Ik zocht heel lang naar andere wegen
maar had te lang voor dat geweld gebogen,
een hoge golf van angst spoelde me tegen
de toekomst leek in mist vervlogen.

Nu ben ik eindelijk opgestaan
en wil niet langer bukkend zuchten,
want door de minst begeerde weg te gaan
kan ik mijn zware last ontvluchten.

Mijn tocht voert nu langs ongebaande wegen
en duisternis omringt mijn wankele bestaan,
verlatenheid doordringt mij als een regen
pijn en verlangen zal ik eens verstaan.

Door dagelijkse angst en kou bevangen
en vaak niet weten waar te gaan,
ervaar ik dan een sterk verlangen
weer naar mijn ballingschap terug te gaan.

dan toont de wilde woede van mijn dromen
mij glimpen van het eens beloofde land,
maar waar ik toch alleen kan komen
door water en woestijn als tegenstand.

Wie helpt mij door de dode zee te gaan
ontsprongen in een ver verleden,
ik wil er niet in ondergaan
wie baant het pad dat ik wil betreden?

Zal de hitte van de zon mij niet verzengen
is er iemand die mijn pijn verzacht,
moet ik deze weg alleen volbrengen
schreeuw ik in de stilte van de nacht.

Wie deelt mijn tocht door deze hel
wie trekt er voor en met mij mee,
ben jij het God van Israel
strijd ik alleen of toch met twee?

Ik kan het nu nog niet geloven God
te jong, te veel, te lang ging ik alleen,
overgelaten aan mijn voelbaar lot
zoek ik aanwezigheid waar ook doorheen.

Misschien zal ik aan 't einde van de tocht
wanneer ik aankom in 't beloofde land
dat vinden wat ik jaren heb gezocht
die zware ballingschap voorgoed aan kant.

Door haat en angst, verlatenheid en pijn getogen
zie ik contouren van het eens beloofde land,
niet langer voor die god de vader neergebogen
ga ik rechtop door innerlijke kracht omspant.

Ik ging alleen, het was een zware tocht
door water en woestijn ben ik gegaan
vond waar ik steeds naar heb gezocht
leerde mijn eigen leven te verstaan.

Het leven is weer waard geleefd te worden
de wegen zijn niet vastomlijnd, maar levensecht,
zij laten mij steeds meer de mens geworden
die vrij mag zijn zoals in Genesis voorzegd.