Dichter: Jong, Hans de Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn


Ik ging eens langs de straten
en vroeg aan die of geen
of ze soms wilden praten
met mij in 't algemeen.

Ik zag een jongen lopen
gekleed in slordig-duur.
Wat is er nog te hopen
in dit onrustig uur?

Hij liep zich te vervelen
schopte een steentje weg.
Het kon hem niks meer schelen,
Je hebt geluk of pech.

Een dame kwam naar buiten
met grote stamboek hond.
Een jas met schotse ruiten
die heel charmant haar stond.

Wat zegt U: bange tijden?
Daar weet ik zo niets van.
Nieuws leer ik te vermijden
zoveel als ik maar kan.

Zo kwam ik ook nog tegen
een oudere meneer.
Die rekende op regen
en somber winter weer.

Met Bush niet ingenomen.
Hij klaagde steen en been.
Veel last van bange dromen,
waar gaan we nu toch heen?

'k Zag giegelende meisjes
bij 'n mooie auto staan.
Ze praatten over reisjes
en wie er mee zou gaan.

Ik wilde hen iets vragen
en toen ik daar zo stond
begonnen ze te plagen
en hield ik gauw m'n mond.

Er kwam een leuk mevrouwtje,
de leeftijd middelbaar.
Ze droeg een houtje touwtje,
dat paste bij haar haar.

Ze zei: U moet vertouwen
op onze lieve Heer
op hem te leren bouwen
verlaten nimmermeer.

Dat kunt U makk'lijk zeggen,
zo zei ik tegen haar.
Je zomaar neer te leggen
bent U te gauw mee klaar.

De Heer is in de hemel,
en wij zijn hier op aard.
Is ons banaal gewemel
zijn aandacht nog wel waard?

Geen waarheid zal Hij krenken,
zo ging zij dapper voort.
't Verbond zal Hij gedenken,
het staat in 't eeuwig Woord.

Bij dit spontaan belijden
bemoediging en hoop,
waren er wel die zeiden:
Ze loopt er mee  te koop!

Toch is zij te waarderen
in haar vrijmoedigheid.
Je er niet voor generen,
dan heb je ook geen spijt.

Wanneer moet ik nu spreken?
Je weet het soms niet meer.
Je wil niet staan te preken
en praat maar over 't weer.

De straten werden donker,
de lichten gingen aan.
Er was een licht geflonker
bij 't schemer van de maan.

De weg was nu verlaten,
geen wandelaar in zicht.
Ik kon ook niet meer praten,
de deuren gingen dicht.

Zo dwaalde ik maar verder
in 't donker van de nacht
Toen heeft de goede Herder
mij weer naar huis gebracht.


Hans de Jong


26 november 2005