Dichter: Jacobsen, Thomas Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
op onze aardse weg, zo lezen
wij, op weg naar de eeuwigheid
hebben wij vijandschap te vrezen
God’s tegenstander is daar altijd

hij wil ons zoetgevooisd verleiden
ons eigen wegen te doen gaan
die, naar hij zegt, ons gaan bevrijden
van angst en zorg in ons bestaan

maar straks is er het eind der tijden
waarin we voor God komen staan
en dan wil hij ons gaan bestrijden
want daar, bij God, klaagt hij ons aan

en komt met onze rij van zonden
en vordert onze ondergang
met alles wat hij heeft gevonden
gedurende ons leven lang

zijn aanklacht, die wordt overstegen
door het zo bijzondere recht
dat is en geldt door ’s Heeren wegen
ook dat is in de Schrift gezegd:

de Heere Die wil gratie geven
als wij Hem vergeving vragen
voor al wat misging in ons leven
in de ons gegeven dagen

maar dat gunt die vijand aan ons niet
hij keert zijn tong in het gericht
tegen ons, hij wenst ons het verdriet
en oordeel, voor God’s aangezicht

de Schrift zegt, dat ’t hem niet zal baten
hij wordt in ’t ongelijk gesteld;
wij mogen ons op Hem verlaten
het is Zijn rechtsorde die telt

in het verleden en het heden,
de Heere heeft de schuld betaald
daartoe is Hij de weg getreden
waarover ons de Schrift verhaalt

op die vrijdag in Jerusalem
Hij behaalde daar de zege,
het is volbracht, zo klinkt daar Zijn stem;
en dat recht, van Mijnentwege

geef Ik ieder die in Mij gelooft
-spreekt de Heere, in Jesaja-
ten erfdeel, dat heeft Hij ons beloofd;
lof zij die Heer, halleluja!

bij Jesaja 54:17