Dichter: Jacobsen, Thomas Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
hij was in Athene gekomen
en hij was de stad doorgegaan,
daarbij had Paulus waargenomen
dat er daar wel altaren staan;
ook een voor een onbekende god,
die wilde men niet overslaan,
dat kon nadeel geven aan hun lot
en die weg wilden ze niet gaan

op de Areopagus sprak hij
met de wijsgeren van de stad,
met de Stoïcijnen, en daarbij
de Epicuristen; hij had
berichten voor hen en ons allen,
ze zijn wel van levensbelang,
maar of de uitkomst zal bevallen?
we horen graag onz’ eigen zang

Paulus sprak met de Stoïcijnen,
die geloofden niet echt in een God;
bepalend voor hun levenslijnen
was, meenden zij, hun eigen lot;
daaraan kon men niets veranderen:
sla je maar door het leven heen,
dat geldt mij, en alle anderen,
en daarom is mijn hart van steen

zo ook bij de Epicuristen
die het alleen om zichzelf ging,
carpe diem, is ’t wat zij wisten
dat was hun doel, dat was hun ding;
Paulus sprak van het overlijden
en aan God verantwoording doen
van wat men deed in aardse tijden;
daar hadden ze geen zin in, toen

wij zullen u nog wel eens horen,
zo zeiden ze, beleefd, naar ’t scheen;
wil onze rust niet meer verstoren,
en zo zonden ze Paulus heen;
zo ligt het ook in onze dagen:
men is de weg naar Boven kwijt;
Heer, houdt ons vast, naar Uw behagen
en breng ons naar Uw eeuwigheid

bij Handelingen 17: 16-34