Dichter: Jacobsen, Thomas Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
wij leven hier, in ons aardse bestaan
waarin de jaren komen en gaan,
en hoe het was, zal het zo zijn voortaan?
is onze tijd dan een gesloten baan
en maakt de avondzon een eind daaraan?
dat is niet zo, wij komen elders aan:
bij poorten, waar wij vóór komen te staan
als wij de tijdgrens over zijn gegaan

wij reizen naar die grens; na het heden
zullen wij allen die weg betreden,
moge die gaan naar de Stad der Steden,
daar wordt onze aardse tijd: verleden;
U wilt horen naar onze gebeden:
wij mogen, Heer, Uw Stad binnentreden
waar U, op aard’, voor ons hebt geleden;
't breng ons bij U, in de Hof van Eden

hoe dat was, is in de Schriften verhaald:
het paradijs, zo was ’t door God bepaald,
is een lusthof, waar Uw gunst over straalt,
om bij U te zijn, waar ons hart naar taalt;
nochtans zijn we daar van U afgedwaald,
hebben verdriet en dood binnengehaald;
toen bent U, Heer, Zelf naar ons afgedaald:
U hebt hier onze schuld geheel betaald

hoe het toen was, zo zal het weer wezen,
zo staat het in de Schriften te lezen:
op Paasmorgen is de Heer herrezen,
satan heeft er zijn vonnis gelezen:
God’s recht heeft hem daar ter dood verwezen,
de schepping wordt van het kwaad genezen;
Eden’s Hof: om er bij God te wezen
Heere, wil daar onze naam aflezen

bij II Petrus 3: 13; Hebreeën 12: 22-25