Dichter: Jacobsen, Thomas Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
er is een land, aan d’ overkant,
waar ieder eens alleen heen gaat,
tenzij de Heere , in het vaderland
niet langer op Zich wachten laat

maar komt, zoals Hij heeft beloofd,
aan ’t hoofd van hemellegermachten;
wij hebben, Heer, Uw Woord geloofd,
Gij zijt de Heer Die wij verwachten

zijn onze jaren wel genoeg
om Zijn terugkomst af te wachten?
of is het daarvoor nog te vroeg
en duurt het langer dan wij dachten ?,

dan komen wij er voor te staan,
voor die rivier die ons nog scheidt
van ’t land waarheen we willen gaan,
het land dat ligt ná d’ aardse tijd

wij moeten die Jordaan door gaan
aan ’t einde van ons aardse leven,
om dan in Kanaän te staan,
en daar vangt aan het eeuwig leven

de Heere Zelf is er doorheen gegaan,
door die rivier, die Jordaan heet;
om voor ons alles te doorstaan,
zoals men uit de Schriften weet

op Goede Vrijdag in Jerusalem,
Hij is voor ons Zijn weg gegaan;
het is volbracht, zo klinkt Zijn stem,
op Pasen is Hij opgestaan

de Heere is ons voorgegaan,
de tijd uit, naar de eeuwigheid;
Hij zal ons nimmer laten staan,
er is voor ons geen eenzaamheid

want Hij zal altijd bij ons zijn,
ook door de dalen zal Hij leiden;
de duisternis wordt zonneschijn:
Hij brengt ons naar de eeuw’ge weiden

met frisse, stille, waterstromen,
bij Hem, in Eden, in de Hof der Hoven;
wie Hem beminnen, zullen komen,
zij zullen eeuwiglijk Hem loven

in ’t land, daar, aan de overkant,
in Kanaän, land om te zingen,
Jerusalem, in ’t vaderland,
bij Hem, de Heer van alle dingen

met allen, die ons vooruit gingen,
de Heer heeft hen een plaats bereid,
om met ons samen lof te zingen:
Hem, onze Heer, in eeuwigheid