Dichter: Jacobsen, Thomas Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
De dag van morgen staat te komen
dan begint er voor mij een nieuw jaar,
dan wordt van ’t nu afscheid genomen
als ik morgen een nieuw jaar invaar.

Mijn scheepje heeft best lang gevaren,
twee en vijftig jaar was zij met mij;
dat waren voor mij blijde jaren
negen jaren reeds is dat voorbij.

Zij keek uit naar de Stad der Steden,
en zij verlangde naar die Koningsstad
om Jerusalem te betreden,
wat U haar in 't hart gegeven had.

Heer, U hebt dat in ons hart gelegd:
om U te zoeken en te vinden,
in de Schrift is dat door U gezegd;
Gij rekent ons tot Uw beminden.

Haar afscheid moest één loflied wezen
omdat U haar leven hebt geleid;
zij mocht haar naam in Uw boek lezen,
en zo ging zij naar Uw eeuwigheid.

Ik vroeg haar om aan God te vragen
of zij mij af mag komen halen
als ik aan ’t eind van d’ aardse dagen
naar die rivier af zal gaan dalen.

Om dan God’s land te gaan betreden
en met haar bij de Heer te wezen,
te wonen in de Stad der Steden
en onze naam in Zijn boek lezen.

Bij U zijn, in de Hof van Eden
zoals het door U was gegeven:
bij U zijn, in een volmaakt heden
bij U, de Heer van ’t eeuwig leven.

Dat is ons thuisland, dan zijn we thuis
dan is de ballingschap vergeten,
dan zijn we weer in het Vaderhuis
met allen die naar Uw Naam heten.

Die dag van Morgen staat te komen
dan begint voor ons het nieuwe jaar
daar wordt nooit afscheid van genomen
als ik dan God’s nieuwe jaar invaar.

bij: Handelingen 17 : 26 - 28;
Johannes 5 : 24;
Hebreeën 11 : 9 - 10;
Openbaring 21 : 27 B.