Zittend aan de voet van ‘t lege kruis,
plaats delict, thans eenzaam en verlaten,
en verdwenen zij die Jezus haatten,
op weg naar eigen haard en huis,
voel ik de koele schaduw van de dood,
de schrijnende verlatenheid,
verdriet van een roemloos afscheid,
en de angst van een sterveling in nood.
Hier heeft mijn Heer te schand gehangen.
Vastgenageld, geslagen en gehoond.
Met een doornenkrans gekroond,
door eenzaamheid bevangen.
Alsof de geur van bloed mij binnendringt,
door de reuk van angst gevoed,
Zijn dorst mijn lichaam kwellen doet,
terwijl hulploosheid mij omringt.
Knielend ziende op dat loze kruis,
in het donkerst van de nacht,
ontwaar ik daar de overmacht
van stralend licht uit ’s hemels huis.
Daarin gloort de gestalte van de Heer.
’t Is Zijn welkom thuis met englenzang.
De zege op Zijn martelgang
en beproeving van weleer.
Zich nu voorbereidend op Zijn laatste reis,
en naar de aarde af te dalen
om Zijn kindren op te halen.
Hen brengen naar Zijns Vaders paradijs.
Overweldigd en getroost keer ik op mijn schreden
naar mijn aardse sponde,
nu ik mij geheel verlost weet van mijn zonde,
en rein de Eeuwge tegemoet mag treden.
Hij leeft!
- Details
- Geschreven door: Dien, Ger van
- Categorie: Pasen (opstanding)
- Hits: 3
-